Platform Biociden | Stap voor stap

Stap voor stap

14 mei 2016

Tegen de trend in ben ik een verklaard Europeaan. De Europese Unie (EGKS, EEG, EG) heeft ons veel goeds gebracht. Niet in de laatste plaats: 70 jaar vrede! Zeker, ook ik vind dat de uitbreiding naar het Oosten toe wel erg – misschien wel te – snel is gegaan. En ook ik heb wel eens twijfels of Europese gelden altijd doelmatig worden aangewend. Maar per saldo vind ik de Europese Unie een zegen. De integratie kan mij niet snel genoeg gaan. In dat opzicht kunnen we een voorbeeld nemen aan de Verenigde Staten met één munt, één staatshoofd, één regering, met afgebakende centrale en decentrale bevoegdheden en met een federaal gerechtshof, dat toeziet op naleving van de federale Grondwet. Een Grondwet, die alle ruimte laat voor de eigenheid van de afzonderlijke staten. Natuurlijk realiseer ik me dat ook daar het integratieproces niet zonder slag of stoot is gegaan en vele jaren heeft gevergd. Maar constitutioneel mag het resultaat er zijn.

Waarom deze “liefdesverklaring” aan Europa als inleiding? Meestal wordt zo iets gevolgd door een “maar”. Dat is in dit geval ook zo. Er is namelijk – en nu gaan we het eindelijk over biociden hebben – één Europees fenomeen, waar ik me al jaren aan stoor. En dat is die onuitroeibare neiging om nog vóór de inkt van regelgeving droog is, die regels alweer aan te scherpen of aan te vullen. Bij biociden is dat helaas niet anders. Zo verplicht artikel 18 van de Biocidenverordening (528/2012) de Commissie om medio 2015 – om precies te zijn uiterlijk op 18 juli van dit jaar – aan Parlement en Raad verslag uit te brengen over de wijze waarop de Verordening bijdraagt aan een duurzaam gebruik van biociden. En wel op grond van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de Verordening. De noodzaak van aanvullende maatregelen om de risico’s als gevolg van de inzet van biociden te verkleinen is een aspect, waarop expliciet dient te worden ingegaan in het Verslag van de Commissie. Indien nodig wordt dit verslag gevolgd door wetgeving, zo besluit artikel 18.

Inmiddels is de deadline van 18 juli verstreken zonder dat – bij mijn weten – het Verslag aan Parlement en Raad is voorgelegd. Dat zou wel eens een hoopvol teken kunnen zijn. Immers, hoeveel en welke ervaring is er in die korte tijd, dat de Verordening van kracht is in hemelsnaam mee opgedaan? We zitten nog midden in het opbouwen van het Europese “biocidenhuis”. En midden in de herbeoordeling van bestaande werkzame stoffen (het zogeheten Review Program). Daarmee is al onder de Biocidenrichtlijn van 1998 een begin gemaakt. De verwachting is dat het nog zeker zo’n 10 jaar zal duren voor alle bestaande werkzame stoffen door de Europese molen zijn gegaan. Bovendien zijn er nog heel wat lidstaten, die nauwelijks de capaciteit hebben om invulling te kunnen geven aan de Verordening, laat staan de biocidenregelgeving te kunnen handhaven.

Met andere woorden pleit ik er voor om eerst te focussen op a) het voltooien van het Europese biocidenbouwwerk, op b) het afronden van de beoordeling van alle bestaande (en natuurlijk ook nieuwe) werkzame stoffen en op c) het opbouwen van biocidenexpertise in alle lidstaten van de EU.

Wanneer er in Europa alleen nog maar biociden mogen worden gebruikt op basis van werkzame stoffen, die – al dan niet onder beperkende voorwaarden – toelaatbaar worden geacht, hebben we als Europese samenleving al een enorme stap voorwaarts gemaakt. En als daar dan ook nog in heel Europa op wordt gehandhaafd, och, dan maak ik me niet meer zulke grote zorgen. Te meer niet, omdat het bedrijfsleven zelf ook al jaren duurzaam gebruik en best practices in de praktijk brengt, getuige de sustainable use-initiatieven van de diverse sectoren.

Hopelijk is mijn pleidooi niet aan dovenmansoren gericht.

 

frank hes

Frank E. Hes
Coördinator Platform Biociden

Plaats hier uw reactie

You must be logged in to post a comment.